Blog 16 oktober

Vandaag heeft de drukkerij MINNAAR LEUGENAAR MOORDENAAR geleverd in het magazijn van de uitgever. Tijd dus om je een voorsmaakje te geven uit het boek.

Minnaar Leugenaar Moordenaar is fictie.  Geen van de personages die erin voorkomen bestaat in werkelijkheid.  Gelijkenissen met bestaande personen zijn toeval.  Het verhaal is gesitueerd op fictieve plaatsen zowel als op bestaande locaties, die door de fantasie soms vertekend zijn. In de realiteit hebben de gebeurtenissen die in dit boek verteld worden zich daar nooit voorgedaan

© William Van Vooren 2020 en uitgeverij de Vries-Brouwers.  Alle rechten voorbehouden.  Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een al dan niet digitaal bestand en/of openbaar gemaakt in welke vorm dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Hieronder lees je de eerste bladzijden van het boek, de proloog.

 Proloog

Een gloeiendhete dag in Napels

Ik heb nooit gedacht dat het mij zo van streek zou brengen iemand neer te schieten. Het bloed suist door mijn hoofd als ik mij laat neer- vallen op een bank. Ik ben zo snel als ik kon weggelopen van de winkel waar het lijk is blijven liggen. Mijn hart bonkt in mijn slapen, en voor mijn ogen zie ik gekleurde vlekken.

Nochtans heb ik alles gedaan volgens de instructies van Luca. Ik ben rustig gebleven tot het derde schot. Ik was niet nerveus of gespannen. Voortdurend herhaalde ik bij mijzelf wat Luca mij tot vervelens toe zei toen hij de opdracht gaf: ‘Blijf kalm. Gedraag je onopvallend. Praat tegen niemand. Wees onzichtbaar in de menigte. Aarzel niet, maar haast je ook niet. Niemand mag je opmerken. Zeker niet na de job.’

Het is anders gelopen. Als een gek ben ik weggerend van het lijk. Ik ben neergeploft ergens op een bank in een park, zwetend en bevend. Het pistool hou ik verborgen in de diepe zakken van mijn jas. Mijn andere hand ligt te trillen op mijn schoot.

Eerst liep alles gesmeerd. Gisteren vertrok ik na middernacht met de laatste veerboot van Palermo naar Napels. Het was druk toen ik rond tien uur in de voormiddag aankwam. Ik kon verdwijnen in de massa. Ik volgde zelfzeker en snel de route die ik had ingestudeerd. De zijdeur van het huis in de steeg was open. In de kamer op de derde verdieping lag op het bed, in een vet vuil doek gewikkeld, het geladen pistool. Op de grond stond een oude telefoon. Er mocht geen boodschap komen, want Luca zou enkel bellen als de operatie niet kon doorgaan. Op het ijzeren bed lag een oude en bevlekte matras. Er stond een stoel aan de gammele tafel met een kruik water erop en een zak met drie harde, zoutloze broodjes van opgerold deeg. Voor de rest was de kamer leeg.

Ik wachtte de hele dag, en verveelde mij. Ik zat aan de tafel, liep in het rond, keek honderd keer uit het raam. De telefoon bleef stil. Ik controleerde voortdurend of hij aangesloten was. De kiestoon had een krakende bijklank en de hoorn was vies en vettig. Ik sliep met mijn kleren aan, het pistool naast mij.

‘s Morgens at ik het brood op en dronk wat van het water. Met de rest waste ik mij en ik bleef tot de middag liggen op het bed, verveeld maar zonder te twijfelen: keuze had ik niet.

Als ik de klok van de Parrocchia Sant’Antonio Di Padova twaalf uur hoorde slaan ging ik naar beneden. Op voorwaarde dat ik er de juiste pas in hield, was het een half uur stappen naar het winkeltje.

Met dezelfde vaste tred als gisterenavond liep ik straat na straat door. Het pistool drukte tegen mijn zij. Ik had mijn broeksriem hard aangetrokken zodat het wapen zeker niet zou loskomen. Hij zat veel te strak en ik durfde hem toch geen gaatje te lossen. Ik wou mijn gehandschoende handen niet uit de zakken van mijn veel te warme jas halen.

Stipt om half één kwam ik aan de winkel die Luca beschreven had tot in de kleinste details, die ik talloze keren had moeten instuderen.

Er stond niemand op het trottoir. Er hoorde een man te staan onder een parasol bij een diepvriesbak met ijsjes, rokend en met een kleine met touw dichtgebonden doos onder de arm. Ik ging de winkel binnen. Het duurde een tijdje tot mijn ogen gewend waren aan het duister in de smalle lange winkel, achteraan schaars verlicht door een Marlboro-reclame boven een gokloket. De man die er een formulier stond in te vullen keek even om. Ik keek in het rond. Ik had niet binnen moeten gaan, want ik merkte in de verste hoek een bewakingscamera. Ik dacht: ik keer terug. Toen zag ik hem. De roker stond aan een sigarettenautomaat naast de buitendeur. Hij kocht een pakje. Op de automaat stond een dichtgebonden schoendoos. Hij nam ze mee en ging naar buiten. Ik volgde hem.

‘Come stai, Miguel?’ zei ik, zoals Luca opgedragen had. ‘Cosi, cosi…’ mompelde hij.

Zonder verder iets te zeggen gaf hij mij de doos. Ik schoot hem snel na elkaar in de buik en in de borst. Hij verkrampte en staarde mij recht in het gezicht. Zijn blik was zwart van ongeloof en ontzetting. Zonder geluid viel hij op de knieën, en dan vooruit op zijn gezicht.

Ik liet de doos vallen.

Voorbijgangers liepen verschrikt voorbij. Ze haastten zich weg. Niemand deed iets, niemand hield mij tegen of bood hulp. Hij lag voorover, zijn rug was vol bloed. De kogels waren door hem heen gegaan. Met mijn voet draaide ik het lichaam om. Onder hem was het stof al van het bloed doordrenkt. Ik schoot een derde keer, midden in zijn voorhoofd. Zonder dat schot was de opdracht niet volbracht. Tot dan was ik kalm geweest, zelfverzekerd, gedisciplineerd. Zelfs toen de man niet voor de krantenwinkel stond, bleef ik helder nadenken.

Ik zag het zwarte gaatje in zijn voorhoofd, het brandde zich op mijn netvlies, en het leek steeds groter te worden. Ik panikeerde.

Het pistool had ik op het lijk moeten achterlaten, maar ik stak het in de diepe zak van mijn jas. Mijn geest was leeg. Alle richtlijnen van Luca waren weg. Ik draaide mij om en trapte in het bloed. Bijna gleed ik uit. Ik liep weg. Ik wist niet dat ik zó snel kon lopen.

Ik liep tot ik hijgend bij een bank in een park kwam.

Nu zit ik hier uitgeteld neer. Ik weet niet waarlangs ik gekomen ben. Ik ben compleet gedesoriënteerd.

Ik kijk rond. Is het een park of is het een bos of een weide? Het is te verwaarloosd om het een park te noemen. Een bos kan niet midden in een stad liggen.

Ik zit ontdaan in het rond te kijken. Links zie ik het groen, dan brede drukke wegen, rechts monotone flatgebouwen.

Ik kan niet blijven zitten, veer recht en loop dwars door het park naar de andere kant. Het uitzicht is identiek. Rechts het groen, dan weer de brede drukke wegen, links flatgebouwen. Ik ben buiten adem, nu meer van de emotie dan van het lopen.

Ook hier staan rustbanken. Stank van urine gemengd met een luchtje van rottend fruit komt mij tegemoet uit de richting van enkele vuilniscontainers die erachter staan. Ze zijn overvol. Er ligt afval en oud meubilair in het rond. Het lijkt mij geen veilige buurt.

Ik ga zitten. Ik vraag mij af hoe het zo ver is kunnen komen. Van Vlaamse zakenman tot Siciliaanse moordenaar.

Ik snak nog af en toe naar adem. Na korte tijd voel ik dat mijn hart langzamer gaat kloppen. Er zijn weinig voorbijgangers. Ik denk dat ik al ver weg ben van de winkel. Dat ik niet weet waar in de stad ik ben, is niet volgens het plan.

Een oude vrouw met een boodschappenwagentje komt voorbij. Ik roep haar. Ze doet alsof ze mij niet hoort en stapt stevig door. Ik loop haar na en vraag de weg naar het grote shoppingcenter nabij het Mugnano-station. Zij kent het. Het is nog ver. Haar uitleg is moeilijk te begrijpen. In de verte hoor ik sirenes.

Twee uur later kom ik aan op de parking van het shoppingcenter. Na wat rondkijken vind ik de Fiat Panda-jeep. De sleutels zitten ver- borgen achter het losse nummerbord. De tank is gevuld.

Het is een eind rijden naar de voet van Italië. Het is laat als ik in Reggio aankom. Ik slaap in de oncomfortabele Fiat. Onrustig en met lange periodes van waken. Ik verbeeld mij dat ik in de weerspiegeling van de autoruiten het gezicht zie van de man die ik doodgeschoten heb. Ook dat van Reinaert, die ik in februari neergeslagen heb. Maar dat was een ongeluk en uit zelfverdediging. Ik zie hun ogen waaruit het leven verdwijnt, zwart en dof.

De morgen na de moord vaar ik met de veerboot Reggio-Messina terug naar Sicilië. Ik kan het pistool ongemerkt in zee gooien. Tegen de middag ben ik terug. Het is 1 juli 2009, een dag die ik nooit zal vergeten.

Luca wacht mij op in het vakantiedomein waar ik onderdak gekregen heb. Hij schreeuwt mij toe in zijn dialect zodra hij mij ziet. Ik versta niets dan enkele keren amateur, zwakkeling en stomkop. Ik bal mijn vuisten en wil hem een klap geven, maar voel een slag tegen mijn hoofd. Wanneer ik bij bewustzijn kom, lig ik in bed. Het is al avond. Mijn hoofd barst van de pijn, en boven mijn gezwollen wenkbrauw voel ik een harde korst gestold bloed. Mijn gedachten dwalen door mijn leven. Ik ben negenenveertig, en heb tot nu het spel als een geroutineerd maar niet altijd succesvol acteur gespeeld.